Dit artikel is vertaald met behulp van AI.
Terwijl sommige paardeneigenaren moeite hebben om bij hun paard überhaupt een paar kilo op de ribben te krijgen, hebben anderen eerder het tegenovergestelde op stal staan: de mollige pony. Vaak wordt het overgewicht dan liefdevol gebagatelliseerd als „babyvet“ of men wijst erop dat men het paard destijds broodmager heeft gekocht en nu blij is dat hij „zo goed in het voer“ staat. Soms wordt het ook gewoon op het ras geschoven, dat „Haflingers nu eenmaal dik zijn“.
Wat het liefhebbende oog van de eigenaar daarbij vaak over het hoofd ziet, is het feit dat overgewicht voor ons paard aanzienlijke gevolgen heeft voor de gezondheid. Naast het risico op hoefbevangenheid zorgt het gewicht op de lange termijn voor een overmatige belasting van de gewrichten en bevordert het daarmee de ontwikkeling van artrose. Dat betekent later jarenlang chronische pijn bij elke periode van slecht weer. Ook kost het het lichaam veel meer inspanning om te bewegen, wat het hart en de bloedsomloop overmatig kan belasten. Hartinsufficiëntie kan hiervan het gevolg zijn, wat op zijn beurt de nieren overmatig kan belasten. Daarom moet men hier gericht tegensturen, in het belang van het paard.
Het overgewicht is daarbij natuurlijk altijd een combinatie van meerdere factoren. Hier speelt de genetische aanleg een rol; niet zonder reden spreken we immers over „sobere“ en „moeilijk voerbare“ paarden. Juist de werkpaardenrassen, waartoe alle pony's, maar ook de grote en kleine trekpaarden evenals Spaanse paarden en de Amerikaanse werkpaardenrassen behoren, werden specifiek geselecteerd op een zuinige stofwisseling.
Duidelijk is dat dergelijke paarden zo sober mogelijk in onderhoud moesten zijn bij een maximale werkprestatie (dus energieverbruik). Wanneer de Haflinger of de Freiberger zware lasten over de Alpen sleepte, moest hij leven van wat er links en rechts langs de kant van de weg groeide, dus een beetje alpenroos hier en wat bergden daar. Het Quarter Horse moest dagelijks vele mijlen lopen bij het veedrijven en dat eten wat de runderen op hun pad nog hadden overgelaten. En ook de Spaanse paarden waren oorspronkelijk werkpaarden die vele kilometers moesten lopen, terwijl ze hier en daar tussendoor een hap van wat schraal struikgewas meepikten.
Dat heeft ertoe geleid dat we tegenwoordig veel rassen hebben waarvan de stofwisseling als het ware elke calorie twee keer omdraait en deze liever op de heupen opslaat dan verspilt. Omdat nog maar weinig van deze paarden tegenwoordig 10-12 uur voor de wagen of onder het zadel lopen, en tegelijkertijd het hooi dat we voor onze paarden krijgen vaak erg voedzaam is, is overgewicht hier voorgeprogrammeerd.
Een andere belangrijke factor die op stallen wordt waargenomen, is het gebrek aan beweging. Hier heeft juist de trend naar de loopstal een negatief neveneffect, omdat veel paardeneigenaren denken dat het paard daar de hele dag beweegt en daarom niet nog extra door de mens bewogen hoeft te worden. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat de meeste uitlopen van loopstallen veel te klein zijn en de prikkel tot beweging te gering is om tot een behoorlijk energieverbruik te komen.
Voor een normale loopstal geldt dat paarden zich gemiddeld slechts ongeveer 1-3 km per dag bewegen. Dat is minder dan een uur lopen! In een paddockbox loopt een paard gemiddeld 800m, dat is niet eens zo heel veel minder dan in een normale loopstal. Als een paard op stal staat, voelt de eigenaar de druk om zijn paard elke dag te bewegen; staat het echter in een loopstal, dan menen velen dat dit voldoende is. Terwijl dat veel te weinig is. Zelfs in een perfecte en zeer uitgestrekte Paddock Trail-installatie komt men slechts op ca. 10 km per dag die de paarden lopen. Dat is ongeveer 2,5 uur beweging.
Daarom is het een heel belangrijk onderdeel van het management van sobere paarden dat men ze regelmatig en uitgebreid beweegt, zodat ze ook plezier beleven aan de beweging en daarbij stresshormonen kunnen afbouwen. Dat kan een gezellige, lange buitenrit door het bos zijn met een flinke galop langs de bosrand, of twee tot drie keer per week een stevige intervaltraining.
Beweging hoeft niet saai te zijn; men kan dit voor zowel mens als paard zeer afwisselend vormgeven. Misschien eens een weekendrit plannen met een overnachting? Of trainen voor een kleine endurance-rit die in de buurt is uitgeschreven? Het helpt sommige ruiters om doelen te stellen voor het bewegingsprogramma, zodat men ook na een vermoeiende werkdag of bij slecht weer zichzelf motiveert om nog naar stal te rijden en zijn paard in beweging te zetten.
Daar komt bij dat bij veel paardeneigenaren de liefde nu eenmaal door de maag gaat. Natuurlijk vindt ons paard ons geweldig als we hem wortels of snoepjes uit de hand voeren of hem de lekkere muesli- of slobberemmer onder de neus houden.
Maar dat is net zo ongezond als wanneer men zijn kind constant chocoladerepen en patat geeft. Natuurlijk vindt het kind de chocoladerepen ook lekkerder dan een appel of de sla. Maar hier heeft men, net als bij zijn paard, de verantwoordelijkheid voor een gezonde voeding. Daarom kan men juist op het gebied van voeding veel doen om de gewichtscontrole te verbeteren.
5 tips om sobere paarden zinvol in de voeding te managen
Hooi in plaats van muesli
Hooi is wat betreft de energiedichtheid ten opzichte van muesli bij het paard hetzelfde als bij ons de sla in vergelijking met chocolademousse. Daarbij zijn niet alleen de graanhoudende muesli's problematisch met hun hoog ontsloten, thermisch behandelde zetmeelbronnen. Ze werken in de stofwisseling natuurlijk als pure suiker. Ook bij de mens is inmiddels bekend hoe problematisch koolhydraatrijke voeding is met betrekking tot overgewicht. En niet alleen bij de mens, maar ook bij veel diersoorten is inmiddels een suikerverslaving aangetoond.
Er mag van worden uitgegaan dat deze suikerverslaving ook bij het paard bestaat, wat natuurlijk gericht wordt gestimuleerd door de dagelijkse muesli of slobber. Steeds meer paardeneigenaren stappen daarom over op „graanvrije muesli's“. Daarbij wordt vaak over het hoofd gezien dat deze eveneens verrijkt worden met verborgen suikers in de vorm van wortelstukjes, appelpulp, appelsiroop of melasse om ze voor de paarden maximaal smakelijk te maken. Dan verdrijft men de duivel met de beëlzebub. In plaats van voer voor de emmer te kopen, kan men beter zijn geld investeren in een hooianalyse en goede, suikerarme hooikwaliteit.
Hooi bevat aanzienlijk minder suiker dan een commerciële muesli (ook de meeste graanvrije!) en door het hoge vezelgehalte is het paard aanzienlijk langer bezig met kauwen. Het kauwproces zorgt ervoor dat gelukshormonen (endorfines) vrijkomen: een kauwend paard is een gelukkig paard. Daarom kan ik mijn paard met het aanbieden van hooi uiteindelijk net zo gelukkig maken als met de muesli-emmer – het is alleen voor de eigenaar minder bevredigend.
En hier moet men zich eens kritisch afvragen voor wie er eigenlijk gevoerd wordt? Vaak genoeg gaat het namelijk om ons eigen welzijn wanneer we voor het paard liefdevol zijn voerbak hebben klaargemaakt met diverse kleine toevoegingen en nog wat stukjes wortel. Het voelt voor ons gewoon goed als het paard al vrolijk naar de bak hinnikt en de laatste restjes uitlikt. Maar is dat ook goed voor mijn paard? Meestal niet. Dus blijf weg van fastfood voor paarden; hooi in plaats van de voeremmer is het devies.
Slowfeeders gebruiken
Er zijn paarden waarbij je de indruk hebt dat ze al dik worden van „naar hooi kijken“. Dat zijn de bijzonder sobere paarden, vooral vaak in combinatie met zeer voedzaam hooi. Helaas zie je suikergehaltes niet aan het hooi af en deze zijn zeer kritisch wanneer het gaat om het gewichtsmanagement van dergelijke paarden. Natuurlijk is het altijd optimaal als men zijn hooi in een agrarisch laboratorium laat onderzoeken op voedingswaarden.
Omdat dat uit tijd- en kostenoogpunt niet altijd mogelijk is, hebben we een eenvoudige methode ter beschikking gesteld, ontwikkeld door Elke Malenke, om met behulp van een refractometer het suikergehalte in hooi zelf te bepalen.
De methode is eenvoudig en kost weinig moeite, zodat iedereen het op stal kan uitvoeren. Het suikergehalte in hooi zou voor paarden <10% moeten zijn; bij paarden die neigen naar stofwisselingsproblemen zoals overgewicht of hoefbevangenheid, is <6% wenselijk. Niet altijd heeft men de mogelijkheid om zulk schraal hooi te krijgen. Hier moet men zich behelpen door het hooi „te verdunnen“, door het bijvoorbeeld te mengen met zeer schraal (bijv. ingeregend) hooi of met stro.
Bovendien helpen slowfeeders om de eetsnelheid te vertragen. Tot de slowfeeders behoort het bekende hooinet, dat in verschillende maten en maaswijdtes verkrijgbaar is, zodat men eigenlijk op elke stal wel een passende oplossing vindt. Hoe handiger de paarden en hoe voedzamer het hooi, hoe kleiner de maaswijdtes zouden moeten zijn. Mengt men het hooi echter met stro, dan is het voor veel paarden extreem moeilijk om nog voldoende voer uit hele kleine mazen te peuteren; dan moet men overstappen op iets grotere mazen.
Naast hooinetten zijn er nog vele andere, deels zeer creatieve mogelijkheden om de eetsnelheid te vertragen. Van hooiballen die over de uitloop kunnen rollen tot hooikussens die men ook op de trail kan verspreiden zonder dat men extra palen voor netten hoeft te plaatsen; het aanbod is groot.
Met slowfeeders en eventueel een mengsel van hooi/stro moet de eetsnelheid dan zo worden ingesteld dat paarden die neigen naar overgewicht uiteindelijk ca. 1,5-2 kg hooi per 100 kg per dag krijgen (stro wordt hier niet meegewogen!), verdeeld over 24 uur, zodat ze constant kunnen eten, maar per tijdseenheid niet te veel binnenkrijgen. Hiermee werkt ook een 24/7 hooivoeding bij mollige pony's.
Graasmasker voor de weide
Weidegang is voor paarden met overgewicht altijd een bijzonder kritisch punt, omdat gras nog veel voedzamer is dan hooi en vooral vaak zeer hoge suikergehaltes vertoont. Bovendien is het lekker zacht en kan het razendsnel worden gegeten. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer men de duur van de weidegang verkort. Paarden leren heel snel dat ze maar voor een uur op de weide komen en verhogen dan hun eetsnelheid met het viervoudige!
Dat betekent dat ze in één uur net zoveel eten als ze anders in vier uur zouden eten. Dat is natuurlijk niet bijzonder zinvol als het gaat om een beperking van de voedingsstoffen voor onze mollige vriend.
Optimaal zou het natuurlijk zijn als men schrale weiden had met voedingsarme grassen en kruiden. Maar helaas kan men de begroeiing op zijn percelen niet zo uitkiezen als men dat graag zou willen voor een steppedier, vooral niet wanneer de weiden op rijke gronden liggen.
Men moet dus ook hier de voeropname per tijdseenheid beperken. Dat gaat het meest zinvol en paardvriendelijk via graasmaskers. Ook al ziet dat er voor sommige paardeneigenaren eng uit: het graasmasker verhindert het grazen immers niet, het vermindert simpelweg de hoeveelheid per tijdseenheid, zodat de paarden niet zo kunnen schrokken. Wat zou het alternatief zijn? Het paard alleen met hooi op de paddock laten staan terwijl alle anderen de wei op gaan, is niet erg paardvriendelijk, want een paard wil het liefst bij zijn kudde blijven; deze biedt veiligheid.
Of het paard zonder graasmasker op de wei zetten en daarmee willens en wetens hoefbevangenheid riskeren, wat uiterst pijnlijk en mogelijk dodelijk is. Dat is niet erg diervriendelijk. Hier is het graasmasker duidelijk nog het beste alternatief. De modellen AS van „Das Pferd im Blick“ hebben zich goed bewezen.
Door verschillende reductieplaten kan hier de eetsnelheid individueel worden aangepast aan de behendigheid van het paard en de toestand van de weide. Een extra lederen plaat beschermt de snijtanden bij tandgevoelige paarden tegen overmatige slijtage.
In het algemeen kunnen de paarden goed overweg met dit graasmasker en sommigen zijn oprecht blij als het wordt omgedaan, omdat ze hebben geleerd dat ze daarmee de wei op mogen. Het is altijd fijn als je een paard hebt dat de weidegang zonder alles en onbeperkt goed verdraagt. Maar voor paarden met overgewicht en paarden met een risico op hoefbevangenheid is het graasmasker een goed alternatief om weidegang mogelijk te maken zonder dat de conditie volledig ontspoort.
Blijf af van de lekkernijen!
Hoe moeilijk het ook is: als het paard al kogelrond is, dan is elk snoepje er één te veel. Natuurlijk is mijn paard blij met de wortel als ik kom en de banaan voordat ik ga. En voor snoepjes doet hij zelfs kunstjes als een circuspaard. Maar wat een gezond, slank paard „incasseert“, kan bij een paard dat al overgewicht heeft de emmer doen overlopen.
Lekkernijen zijn als krachtvoer: ze mogen strikt alleen aangepast aan de prestatie worden gevoerd. Heeft mijn mollige pony net 60 min intervaltraining met flinke galop achter de rug, dan is er daarna niets op tegen om één (de nadruk ligt op: één!) snoepje als beloning te geven. Maar voor alleen maar stilstaan en schattig kijken hoef je het paard niet te belonen.
Appels, wortels, watermeloenen, sinaasappels, kiwi en wat men verder nog aan groente en fruit op stal ziet: wat voor ons een gezonde aanvulling op het menu is, is voor het paard als een chocoladereep en absoluut niet geschikt voor de mollige pony waarbij ik het hooi al moet rantsoeneren. Wie toch wil belonen, omdat hij bijvoorbeeld aan clickertraining doet, moet overstappen op een zeer suikerarme variant als beloning.
Hier zijn voor sommige paarden rozenbottels geschikt, maar dat moet men uitproberen – sommige paarden zijn er dol op, anderen haten ze. Ook losse esparcettekorrels zijn goed geschikt voor clickertraining; ze lijken paarden erg goed te smaken en zijn even suikerarm als hooi, maar door het hoge eiwitgehalte en de bitterstoffen blijkbaar aanzienlijk aantrekkelijker dan hooibrokken.
Ook biostickies worden graag gebruikt voor clickertraining; ze bestaan voor 90% uit hooi en 10% uit lijnzaadschilfers.
Dat maakt ze natuurlijk iets gerijker dan normale hooibrokken, maar daardoor ook qua smaak aantrekkelijker. Ze zijn echter in vergelijking met vergelijkbaar lekkere esparcettekorrels ongeveer drie keer zo duur. Een schraal alternatief voor snoepjes zijn ook de Leichte Clickerlis van OKAPI, die overigens ook niet heel goedkoop zijn en daarom eerder „jackpot“-beloningen zijn, net als de andere graanvrije Clickerlis van OKAPI.
Maar ook hier geldt: minder is meer. Op het moment dat een snoepje voor paarden aantrekkelijk smaakt, bevat het altijd aanzienlijk meer suiker, vet of eiwit dan hooi, dus allemaal voedingsstoffen die men bij paarden met overgewicht liever zeer gedoseerd moet geven. Denk er altijd aan: chocoladerepen voor paarden! Minder is meer…
Mineralenvoorziening waarborgen
Doseert men het hooi en het weidegras via slowfeeders en graasmaskers, zodat het paard er niet meer volledig vrije toegang toe heeft, dan krijgt het niet alleen minder calorieën binnen, maar ook minder andere voedingsstoffen. Hier moet men in het bijzonder letten op de balans van mineralen en sporenelementen.
Daar komt bij dat veel paarden gar niet zozeer vet hebben opgeslagen (dat komt ook voor, maar het betreft absoluut niet de meerderheid van de paarden), maar veel meer lymfe als gevolg van te hoge suikergehaltes en / of toxines in het voer en / of een verstoorde darmflora en / of ontgiftingsfunctie.
Wanneer men deze paarden nu regelmatig beweegt en ze tegelijkertijd van de suikervoeding afhaalt en de muesli en snoepjes vervangt door 24 uur hooi uit hooinetten, beginnen deze paarden vaak weer lymfe af te voeren.
De in de lymfe opgeslagen suikerderivaten en toxines worden via de nieren uitgescheiden, wat van nature ook leidt tot een verhoogd verlies van mineralen via de urine. Het voeren van voordroogkuil en andere voedermiddelen met melkzuurbacteriën leidt er vaak toe dat er overmatig veel melkzuur in de lymfe en daarmee in het bindweefsel wordt opgeslagen. Om deze te neutraliseren is de activering van een belangrijk enzym in het weefsel noodzakelijk: carboanhydrase.
En om dit goed te laten werken, moet het lichaam over voldoende zink beschikken. Dat betekent dus bij paarden met overgewicht, in het bijzonder paarden met een dikke, lymfatische manenkam en vetkussens aan de flanken („zadeltassen“), dat het noodzakelijk is om mineralen bij te voeren. Zo kan het lichaam zijn mineraleninname balanceren ondanks de beperkte toegang tot ruwvoer, verliezen via de urine compenseren en kan de ontzuringsreactie in het bindweefsel naar behoren verlopen.
Naast een liksteen zou er daarom regelmatig een goed mineraalvoer gegeven moeten worden.
Hier is bijvoorbeeld het Weidemineral Balance van OKAPI geschikt voor. Het is een zuivere mineralen- en sporenelementenmix die door de paarden alleen naar behoefte wordt gegeten. In uitzonderingsgevallen, bijv. bij drachtige merries of paarden met duidelijke stofwisselingsziekten zoals zomereczeem etc., moet natuurlijk een individuele mineralenvoorziening worden gewaarborgd; hiervoor moet men altijd een ervaren therapeut raadplegen.